Zuiderscheg Romeins Fort

Details monument
Kenmerk Details
Bescherming Archeologisch rijksmonument
Oorspronkelijk Fort met haven
Huidige functie  
Bouwjaar 14 n.Chr / 40 n.Chr
Architect Onbekend
Opdrachtgever Onbekend

Rond 55 v.Chr. liet Julius Caesar voor het eerst zijn oog op deze streek vallen. Zijn bewering dat hij het Romeinse rijk tot aan de Rijn had uitgebreid, werd echter pas door zijn opvolger Augustus feitelijk gerealiseerd. Om Germanië tot aan de Elbe te veroveren werden in het Nederrijngebied verscheidene uitvalbases voor de Romeinse expeditiemacht aangelegd. Een van die steunpunten was de militaire haven Velsen 1, die rond 14 n.Chr. werd gebouwd en in het jaar 28 door opstandige Friezen veroverd. Rond 40 n.Chr. vestigden de Romeinen een nieuwe versterkte haven aan het Oer-IJ, Velsen 2, op nog geen 600 meter afstand van zijn voorganger. De bouw hiervan hangt mogelijk samen met het voornemen van keizer Caligula om Britannia te veroveren. De realisatie van dit plan was echter voorbehouden aan zijn opvolger Claudius. Hij besloot in 47 n.Chr. de Rijn aan te wijzen als noordgrens van het Romeinse rijk. Daarmee kwam een einde aan de bestaansreden van het havenfort Velsen 2.

De oudste Velsense basis, Velsen 1, is nagenoeg geheel opgegraven. Het onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat het een zeer bijzondere versterking betreft, waar zowel legionairs als soldaten van de hulptroepen waren gelegerd. Het jongere, maar nog kortstondiger gebruikt Velsen 2 lijkt veel overeenkomsten te hebben met zijn voorganger.

Het fort werd aangelegd op de oever van de hoofdgeul van het Oer-IJ. Het Oer-IJ had zich hier ingesneden in het Oude Duinlandschap en een oudere geulopvulling. Bij de vorming van het pakket ‘Dirty Sands’ in dit gebied (doorbraakafzettingen uit waarschijnlijk het einde van de 14de en de eerste helft van de 15de eeuw) is een groot deel van het terrein aanzienlijk verspoeld. Desondanks zijn bij onderzoek herhaaldelijk sporen in situ aangetroffen. Thans wordt het gebied geografisch begrensd door de N202, het afvalbrengstation van HVC en de Rijksweg A22.

Gedurende vele jaren is gedacht dat, door de geomorfische context, primaire sporen geheel zouden ontbreken. Het terrein is immers in de middeleeuwen geheel verspoeld. Onderzoek in 1982 leverde echter een greppel op, die kon worden geïnterpreteerd als de basis van een V-vormige gracht. Tevens werd toen voor het eerste een benedenwaartse instulping van de ondergrond geconstateerd, die kon worden toegeschreven aan overbelasting van het draagvermogen van de bodem en het gevolg is van de aanwezigheid van een aarden wal. Bij onderzoek in 1996 werden opnieuw enkele kuilen met inheems en Romeins aardewerk en dierlijk bot en twee nieuwe grachten.

Bij het onderzoek in 1997 is voor Velsen 2 voor het eerst aangetoond dat er sprake is van meer dan één bouwfase. Op de spitsgrachten met de reeds bekende oriëntatie werd er nu ook één haaks aangetroffen, alsmede een bodeminstulping door de omwallingen. De haakse ‘gracht’ ligt boven de walindruk, een extra aanwijzing voor twee fasen.

Een kuil met daarin drie planken, waarschijnlijk deel van het fundament van een toren- of poortgebouw, bood een mogelijkheid voor datering, daar een van de planken van eikenhout was. De datering maakt duidelijk dat het gebouw in de winter van 42-43 n.Chr. is opgetrokken.
Archeologisch booronderzoek heeft uitgewezen dat de Romeinse geul(bodem) organisch materiaal bevat dat veel informatie bevat over de landschappelijke omgeving en de menselijke activiteiten die hier hebben plaatsgevonden.
Thans kan geconcludeerd worden dat voor de vindplaats Velsen 2 voldoende aanwijzingen beschikbaar zijn voor de sporen in situ. Ook de conserveringsomstandigheden voor met name organische materialen zijn zeer goed. Niet uit te sluiten valt dat in de overgangzone van oever en Romeinse geul resten van schepen aangetroffen kunnen worden.

Zoals al eerder werd gesteld, hebben we hier te maken met een bijzonder specifiek type vindplaats, waarvan er wereldwijd slechts enkele bestaan. Bovendien geeft de relatie met en opvolging van de vindplaats Velsen 1, immers ook fort en haven, een interessante ontwikkeling in de tijd weer. Het verband met de vindplaats met de ‘Elbe-politiek’ is reeds aan de orde gesteld. Daarnaast is de vindplaats informatief voor de Romeinse invloed in het noorden van ons land. De afdekking met een dik pakket klei heeft gezorgd voor een goede conserveringstoestand van de organische component van de vindplaats.

De bijzondere waarde van deze versterking, die bovendien een overblijfsel is uit een zo cruciale periode van de geschiedenis van het Romeinse rijk, rechtvaardigt de aanwijzing van het terrein waarin de resten verborgen liggen, tot wettelijk beschermd monument.